8 december 2011
De Afdeling volgt ons standpunt m.b.t. methodiek waardering planschade. Hoogste waarde ontleend aan feitelijk gebruik. In deze zaak ging het om de waardering van een object dat feitelijk in gebruik en ingericht was als ‘erotisch getinte horeca’, met de bestemming ‘Wonen’ met wijzigingsbevoegdheid tot ‘erotisch getinte horeca’. De kern van de zaak ligt in rechtsoverweging 2.4.1:
“Dat de wijzigingsbevoegdheid niet meteen na de opheffing van het bordeelverbod is toegepast en het perceel in het nieuwe bestemmingsplan niet positief voor erotisch getinte horeca is bestemd, betekent niet dat, naar [appellanten] betogen, het college gehouden was om bij de waardebepaling de planologische situatie als uitgangspunt te nemen. Daartoe is van belang dat zij niet betwist dat een redelijk denkend en handelend koper in het licht van het door het gemeentebestuur gevoerde gedoogbeleid op de peildatum voldoende zekerheid had dat het feitelijk gebruik van het perceel voor erotisch getinte horeca zou kunnen worden voortgezet, dat het perceel op de peildatum een hogere waarde als bedrijfsobject dan als woonobject had en dat de planologische wijziging, uitgaande van het feitelijk gebruik, niet tot waardevermindering van het perceel heeft geleid. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellanten] door de planologische wijziging schade hebben geleden.”